Onze doelen
Ons doel is om het fietsen zo veilig mogelijk te maken en liefst ook zo comfortabel mogelijk.
De achterliggende gedachte is: fietsen is goed voor mensen en voor het milieu; fietsen bevordert het welzijn (geluksgevoel) van de bevolking.
Twee aandachtsvelden staan bij ons dus voorop: fietsveiligheid en fietsgemak.
Fietsveiligheid: De situatie waarbij een persoon geen of weinig kans maakt letsel op te lopen door te fietsen, dan wel die perceptie heeft.
Er zijn goede redenen om gevoelde fiets(on)veiligheid hieronder te vatten. Zowel feitelijke als gevoelde fietsonveiligheid kan tot mijdingsgedrag leiden.
Fietsgemak: Het zonder noemenswaardige infrastructurele belemmeringen op fysiek en psychisch aangename wijze – en liefst zo rechtstreeks mogelijk – met de fiets op pad te zijn.
Het bevorderen van het fietscomfort bevordert het gebruik van de fiets.
Fietsveiligheid houdt mensen op de fiets, fietsgemak brengt ze op de fiets.
Concreet streven wij naar:
- Voldoende ruimte voor fietsers (brede goed onderhouden fietspaden en fietsstroken).
- Veilige fietsroutes met minimaal fietssuggestiestroken (in de binnenstad liefst 30km-gebieden/straten en geen tweerichtingen fietspaden).
- Veilige kruispunten met zoveel mogelijk voorrang voor fietsers (liefst ongelijkvloers met een voorkeur voor tunnels).
- Goede doorstroommogelijkheden (met name via fiets-optimale verkeerslicht-cycli).
- Voldoende fietspaarkeerplekken op straat en goed bereikbare en betaalbare fietsenstallingen – ook voor buitenmaatfietsen (bakfietsen).
- Tegengaan van fietsarmoede en -angst: bevorderen van fietsbezit en het helpen overwinnen van fietsangst.
Onze werkwijze
Elk gebied (veelal gemeente) heeft een kerngroep die het werk op zich neemt. Dat is een open groep vrijwilligers zonder een – gezien de beperkte omvang – bestuurlijke constructie.
Onze insteek bij het contact met de wegbeheerder (gemeente, soms provincie) is in eerste plaats advisering, op grond van de eigen waarneming van de kerngroep en door berichten van leden.
Wij streven naar regelmatig overleg met het ambtelijk apparaat en het college (wethouder). De frequentie hangt af van (de bereidwilligheid van) het gemeentebestuur. De gespreksonderwerpen zijn vaak op eigen initiatief, soms op verzoek.
Bij specifieke zaken, zoals verkeers- of woningbouwprojecten, proberen wij als overlegpartner in aanmerking te komen, en dat lukt meestal wel.
Incidenteel spreken wij de politiek direct aan, door middel van (het recht tot) inspreken bij raadscommissies.